30e Jaargang.
Woensdag 12 April 1922.
No. 2.
Veertiendaagsch Blad voor de Vrouw.
Onder Redactie van: W. DRUCKER.
Abonnementsprijs per 3 maanden. . . t 1.—
"Voor België, liet oterlge Buitenland en
Ned.-lndit
„1.65
Afsonderllike Nummers
„0.10
Bureau van Redactie en Administratie:
VAN BAERLESTRAAT 148,
AMSTERDAM.
Adverteutlto per regel
f 0.15
Groote letten naar plaatsruimte. >
Boekaankondlglng per regel ten 4/3 maal) „ 0.10
Aanvragen en betrekkingen
„0.05
• N H O U D.
Een rechtsvraag.
Een liberale groep.
Een dompertje?
In- en Uitvallen.
Binnen de Grenzen.
Feuilleton.
Een rechtsvraag.
Voor vrouwenkiesrecht hebben wij gestreden, niet
omdat wij de vrouwen beter, wijzer, humaner achten dan
den man, maar omdat wij het onrecht vonden den man,
omdat hij man is, burgerrecht te verleenen, de vrouw,
omdat zij vrouw is, te rangschikken onder krankzinnigen,
idioten, moordenaars en dieven. Wij erkennen noch het
collectief man noch het collectief vrouw; voor ons zijn er
mannen en vrouwen met menschelijke hartstochten, eigenaardigheden, doelbegeeren, maar ieder voor zich daarstellende een individu met speciale begeerten, verlangens,
'idealen, afwijkende van die van alle andere hem of haar
gelijke. De chaos welke in het heden de wereld te
aanschouwen geeft mannenwerk, maar daarin geenszins
omsloten, dat dit onontwarbare kluwen het psychisch
beeld geeft van het specimen man. Of de vrouw, alleenheerscheres geweest zijnde gelijk hij eeuwen was albestierder,
het er beter zou hebben afgebracht, valt niet uit te
maken, maar gelooven doei*, wij het niet.
Zoo ook de huwelijkswetgeving voor ons een rechtsquaestie. De bestaande wel het menschonteerendste stuk
werk dat door de wetgevers der laatste eeuwen is geredigeerd. Veel meer dan een slavencontract uit de laatste
tijden van het Romeinsche Rijk zij niet. Dit komt doordien
men haar steeds heeft gehouden op religieus-, niet op
rechtsgebied. Terzelfder tijd toch dat het Burgerl. Wetboek
uitdrukkelijk vermeldt, dat geen slavernij van welken aard
ook op Nederlandschen bodem wordt geduld, leveren de
huwelijksartikelen in dit Boek de vrouw, haar kinderen,
haar arbeid, haar goederen, alles en alles over aan den
geven of te verkrijgen, iemand in haar huis te ontvangen
of te weigeren. Deze tweeslachtigheid in hetzelfde wetboek vindt haar oorzaak in den Christelijken nimbus die
de huwelijkswetten omgeeft, waarvan basis, dat het
huwelijk is een éénheid, gerepresenteerd door den man
beginsel bestaat de gehuwde vrouw niet, lost zich op in
haar echtgenoot, wier willen haar moet zijn een wet van
Meden en Perzen, neen van een boven alles voor haar
verheven God. Dit principe in al zijn consequentie uitgedrukt in de nog zoo pas in Engeland toegepaste wet,
waarbij de misdadige vrouw die haar euveldaad bedrijft
in tegenwoordigheid of met medeweten van haren heergemaal, niet strafschuldig wordt verklaard, omdat zij in
haar manshand slechts is een cadaver. Zuiver gedacht
dit wel. Dat de strafrechter een wezen indaagt dat niet
is iemand, maar iets, in hoogen mate onbillijk.
Ook onze huwelijkswetgeving stoelt zich nog maar immer
op het kanonnieke recht, uitgaande van de stelling: „De
man alleen is geschapen naar het beeld Gods, de vrouw
niet; bijgevolg moet de vrouw aan hem onderworpen zijn,
bijna dienstmaagd en slavin van den man'
] ).
De rechter in het heden denkt er evenwel een beetje
anders over en we zien den zonderlingen toestand, dat
hij in deze richt buiten de wet om, zelfs tegen haar in.
Deze manier van doen heeft twee schaduwzijden: de terzijde geschoven wet met al haar ongerijmdheid, dwaze
oppauwing van den man en verlaging van de vrouw,
blijft bestaan; de gezinsbanden en goederen worden afhankelijk van de levensopvatting van den rechter, en zoo
wordt dezelfde zaak, in hetzelfde land, onder dezelfde
wetgeving, verschillend berecht. Dit moet onrast wekken
in den lande, geeft rechtsonzekerheid. Een voorbeeld in
deze te vindeu in het „Alg. Handelsblad" van 29 Maart
1.1., behandeld door Mr. B. P. Gomperts.
Een vrouw heeft scheiding van tafel en bed aangevraagd
op grond van „buitensporigheid" van den man; een geldige
reden tot bovenaangegeven scheiding. De man was Katholiek, de vrouw Protestant. Vóór het huwelijk hij zoo vrij
van opvatting, dat hij dit liet inzegenen in de Hervormde
Kerk en beloofde de kinderen groot te zullen brengen in
bet geloof hunner moeder. Staande het huwelijk kwam
de man echter plotseling tot andere gedachten; volgens
zijn beweren tijdens een ziekte. Onder de vele grieven
die de vrouw tegen haar echtgenoot opsomt, ook deze,
•) Tolgens Gide's La femme, pas;- 204: „Can. 13—19, cans
XXXIII, qrj 5: ,... Maller non est facta ad imaginem Dei....
Hlnc apparet quemad murdum snbditas feminas viris et pene
famulas lex esse voleurit mores".
 

Evolutie [1922], 02 - 1/8

Volgende