42
EVOLUTIE.
Na het bovenstaande volgt van zelf, dat Dr. Jonkers
sterk aanraadt zelf-zoogen, dit beschouwt als een klemmende
plicht voor de kraamvrouw, niet alleen tegenover haar
eigen kind, doch ook tegenover de nazaten, daar, volgens
de onderzoekingen van sommige geleerden, dit vermogen
in hooge mate erfelijk is.
Niet alleen echter in liet gehalte van het voedsel ligt
de oorzaak der groote kindersterfte; immers de door Dr.
Jonkers zelf gegeven merkwaardige tabellen spreken hieromtrent duidelijk voor wie uit cijfertjes iets lezen kan.
Tal van factoren werken samen om te geven het product,
dat wij als feit voor ons zien.
Zoo bijv. de onkunde van tal van moeders, haar onmacht of onverschilligheid ten opzichte van heur telgen,
waardoor de zorg onvoldoende is. Ofschoon niet aldus
bedoeld, is dit gedeelte der brochure een pleidooi voor
hetgeen wij meermalen beweerden en waarom wij vaak
als monsters werden afgeschilderd, n.1. dat die hooggeroemde moederliefde is voor .
!
'/ 10 een fictie. Toen in den
vorigen winter in Groningen Dr. Jacobs beweerde, dat de
vrouw, over het algemeen genomen, niet bezat, niet kon
bezitten den tact en den lust om te zijn goede opvoedster,
dat slechts een deel der vrouwen daartoe aanleg had en
dat ook bij deze die aanleg moest worden gecultiveerd en de
roeping moest worden aangewakkerd, voegde men haar
toe: „Ga zoo niet voort, want dan krijgt ge denzelfden
naam als de dames Drucker en Haver." Toen echter verhief
zich in datzelfde Groningen een stem, welke — ofschoon op
ander gebied niet met Mevr. Jacobs meegaande — hier
haar gelijk gaf. 't Was Mevr. Gunning, die voelende haar
plichten tegenover haar kinderen en willende deze vervullen, zich zelf qualificeerde als onbekwaam; deze vrouw
had den moed van zelfkennis, en zij zou door goeden wil
en voldoende opvoeding toch wel in staat geweest zijn
haar plichten te volbrengen als waar was, wat altijd met
ophef gephraseologeerd wordt: „De vrouw is van nature
moeder." (Moeder hier natuurlijk niet genomen in den
zin van vleeschelijke moeder.)
Thans komt op nieuw uit datzelfde Groningen de
wetenschap met tal van feiten staven onze bewering: De
vrouw als collectief heeft jammerlijk fiasco gemaakt als
voedster en opvoedster." Niet uit instinct heeft zij kunnen
herstellen de fouten, door natuur en maatschappelijke
verhoudingen gemaakt en, wijl zij verre is gehouden van
de wetenschap, was ook zij niet de eerste, die haar (de
wetenschap) benutte voor heur ten onrechte opgehemelde
taak als opvoedster.
Wel zegt de schrijver, besprekende den invloed der
sociaal-economische verhoudingen op de kindersterfte,
waar hij de buiten-echt-geborenen aanhaalt:
„Daar geen van beide ouders in den regel belang hebben
bij het voortbestaan van het kind, ja zijn dood zelfs een verlichting, een uitkomst voor hen kan zijn, is de natuurlijke liefde,
die elke moeder instinctmatig voor haar kind gevoelt, gewoonlijk de eenige factor, die werkzaam is om het kind in het leven
te houden." (Pag. 48.)
maar alle tabellen weerspreken de macht dier instinctmatige
moederliefde, bevestigen den invloed der van buiten komende oorzaken. Trouwens iets lager lezen wij:
„Doch zelfs wanneer de stoffelijke middelen in voldoende
mate aanwezig zijn, zal het kind nog dikwijls het slachtoffer
worden van de misdaad zijner ouders, daar door den drang der
omstandigheden die moederliefde, vaak weinig tot ontwikkeling
gekomen, als het ware tegelijk met hare geboorte weder verstikt is." (Pag. 48.)
en op pag. 57:
„De tabel der wettige levenloos aangegevenen vertoont een
groote regelmaat; die der onwettige levenloox aangegevenen daarenteyeu in het geheel geen. En juist dit is voor mij een reden
te meer om aan te. nemen, dat hierbij niet uitsluitend natuurlijke
oorzaken in het spel kunnen zijn."
Zoodra belang in het spel komt en dit het wint van
het instinkt, is dit laatste niet groot, niet krachtig, niet
machtig. Doch al was die instinktmatige moederliefde
sterk genoeg om alle hinderpalen te overwinnen, alle nadeelige invloeden te bestrijden, dan zou, omdat zij voortkomt uit instinkt, zij niet mogen worden geaureooleerd.
Wat den mensch doet hoogstaan, is het in goede bedding
leiden van de stroomen der hartstochten, niet het blindelings volgen der machten, 't zij goede of kwade, die in
hem werken; wanneer dus na den onbeschaafden, zijn
instinkt volgenden mensch komt de eonigszins beschaafde,
die belang, eigen-belang, een gewichtige rol laat spelen,
mag men den in dit stadium verkeerenden mensch excusoeren, dat hij zwicht voor den samenloop der omstandigheden,
doch men blijve niet blind voor do feiten, welke aantoonen
zijn zwakte; veel minder nog mag men ziende blind zijn
en de loftrompet steken over de restantjes instinkt, die nu
en dan opflikkeren. Eerst dat moederschap heeft recht
op waardeering, hetv> elk, door verstand en overleg geleid,
alle goede omstandigheden weet te benutten, alle ten
verderve leidende omstandigheden zooveel mogelijk weet
onschadelijk te maken. Dat moederschap is geen instinkt,
kan slechts worden uitgeoefend door den cultuurmenseh,
die den in hem (haar) zijnden aanleg heeft weten te ontwikkelen. Dat moederschap echter uitzondering, geen
regel. Daarom verheffen wij steeds onze stem tegen het
lofzingen op „de moeder", alleen omdat zij vleeschelijke
moeder is.
Toename van het aantal huwelijken gaat in den regel
gepaard met toename van het aantal geboorten. Beide
heeft Dr. J. voor ons land nagegaan over een tijdsverloop
van 60 jaar, verdeeld in 12 maal 5 jaar, van 1840 tot
1900. In alle provinciën van ons land was tot 1880 een
stijging in beide op te merken met uitzondering van de
jaren 45/50 en 55/60 ; jaren, die zich kenmerkten door
schaarschte van levensmiddelen en slechte sanitaire toestanden. Na het jaar '80 trad daling in, welke van 1890
af voor het aantal huwelijken weder in rijzing veranderde,
terwijl in 6 provinciën van ons land, nl. Z.-Hollarid,
N.-Holland, Utrecht, Zeeland, Groningen en Friesland het
aantal geboorten afnam. De schrijver neemt aan — echter
erkennende, dat hij geen voldoende bewijs-materieel daarvoor heeft — dat deze daling der geboorten hoofdzakelijk
schuilt in de meer gegoede klassen en beschouwt o.a.
als oorzaken : de leeftijd der gehuwden en opzettelijke beperking, hetzij door „deugdzame" onthouding (Malthusianisme), hetzij door Neo-Malthusianisme, een zeer aanneembaar argument als men even wil opmerken dat Drente,
Limburg en N.-Brabant behooren tot de vijf provinciën,
waar mèt de huwelijken ook de geboorten zijn gestegen
en deze gewesten gewis voor de propaganda dor N.M. leer
nog vrij wel ontoegankelijk zijn gebleven.
Over hot geheele Rijk genomen steeg gedurende 20 jaar
(van '60 tot '80) de huwelijksvruchtbaarheid als volgt:
296.05 geboorten op 1000 geh. vrouwen in vijf jaar (van
Vorige

Evolutie [1903], 06 - 2/8

Volgende